29 mei 2008
Onlangs las ik het boek ‘Wat is de Wat?’… die het verhaal vertelt van een Soedanese ‘Lost Boy’, een naam - zie de weeskinderen in ‘Peter Pan’ - gegeven aan de duizenden jongens die het geweld in Soedan ontvluchtten en na dagen- en nachtenlange voetmarsen uiteindelijk in vluchtelingenkampen terecht komen in Ethiopië… en later in Kenia. Het verhaal speelt zich af in de periode eind jaren 80 en het begin van het nieuwe millennium. Eind jaren 80 werkte mijn schoonzus en haar toekomstige echtgenoot voor Artsen zonder Grenzen in Malakal, een stad in het zuiden van Soedan. Ze werden – de avond voor ze er even tussenuitknepen – ontvoerd door de rebellen van John Garang, het SPLA (Soudanese Peoples Liberation Army)… die beslist hadden de stad die nacht aan te vallen. Na een voetmars van 3 weken kwamen ze aan de Keniaanse grens, waar ze werden overgedragen aan de overheid. Bij het lezen van ‘Wat is de Wat?’ moest ik telkens aan ze terugdenken… hoe ze zich in het riet moesten verschuilen om niet gezien te worden door de Soedanese patrouilles… hoe ze beschoten werden door het regeringsleger en zich op een eiland midden in de Nijl moesten platdrukken en lange bange uren in het water zich stilhouden… hoe de
rebellen voor hen de jacht inzetten op twee magere kippen, terwijl ze zelf amper iets te eten hadden. Het wordt allemaal zo goed en uitvoerig beschreven in het verhaal van Valentino Achak Deng dat de koude rillingen me over de rug liepen. En besef je plots aan wat ze ontkomen zijn, want voor het regeringsleger waren ze op dat moment ‘storende’ getuigen. We zullen wel nooit te weten komen wat de rebellen bezield heeft toen ze hen ontvoerden… ze hebben het avontuur overleefd zonder al te veel kleerscheuren en dat was voor ons het belangrijkste. Veel ‘Lost Boys’ hebben ‘hun’ avontuur niet overleefd… zagen hun familie voor hun ogen vermoord worden, hun dorp platgebrand door de Murahaleen - de milities ondersteund door de regering in Khartoem – en kwamen om in een confrontatie met leeuwen, hyena’s of andere wilde dieren… of door ontbering, uitputting. De anderen die het overleefden - ondanks alles… de ontberingen tijdens hun lange mars en de overlevingsstrijd in de kampen… en er rond, met de omwonenden – die er niet om gevraagd hadden dat hun land overspoeld werd met tienduizenden uitgehongerde vluchtelingen… en die dikwijls vijandig reageerden – tot en met het opnemen van de wapens – hadden het ‘geluk’ om na een tiental jaar een visum te krijgen om zich in de Verenigde Staten van Amerika te vestigen. De ‘US of A’… voor velen een drieletterwoord dat ze kenden uit de vluchtelingenkampen, omdat het uitvoerig geschilderd staat op de zwaar gesubsidieerde landbouwoverschotten die als noodrantsoenen werden aangeboden. Geel maïsmeel, olie, havervlokken en dergelijke meer. Misschien dat ze er een glimp van opvingen bij één of andere filmvoorstelling… een plaats ver, ver van de kampen… aan de andere kant van de wereld. Het staat u
itvoerig beschreven in ‘Wat is de Wat?’, daar kom ik dus niet op terug.De koude rillingen lopen me over de rug wanneer ik er aan terugdenk… dat zovele verschillende culturen, manieren van leven en beleven… zo rakelings langs elkaar glijden. De volgende dag zit je gezellig aan tafel – bij de familie – en pikt de draad weer op alsof er niets aan de hand is. De volgende dag zitten de ‘Lost Boys’ in een ‘andere’ wereld, waar niets is zoals het ‘thuis’ was. Een wereld waar alles voor je georganiseerd wordt, waar geboden en verboden de regel zijn, waar niets eenvoudig is.
Onze paden kruisen tot tweemaal toe. In september 2000 en januari 2001, wanneer ik vanuit Kigali, via Nairobi naar België reisde. In Nairobi, waar we landden om bij te tanken en nieuwe passagiers aan boord te nemen, kwamen ze aan boord – nadat alle overige passagiers hun plaatsje gevonden hadden. Voor me kwam een Somalisch gezin zich installeren… (Somali die je direct herkend aan hun sluike zwarte haar… de enige zwarte afrikanen die geen kroeshaar hebben) en dan, een hele stoet ‘jongens’ tussen de 18 en 20 jaar oud. Allemaal uitgedost – zonder uitzondering – in T-shirt met USPR (United States Programme for Refugees) erop, over de schouders een tas van de IOM (International Organisation for Migration). Nu - 7 jaar later – besef ik plots wat een ‘cultuurschok’ het voor die jongens en die families moet geweest zijn. 24 uren eerder zaten ze nog in één van de vluchtelingenkampen te ‘wachten’ op de ‘bevrijdende’ mededeling dat ze konden vertrekken… én nu stappen ze aan boord van een vliegtuig, dat ze vroeger alleen maar kenden als die ‘zilveren’ vogel, hoog in de blauwe lucht. In de kampen leefden ze – zo goed als het kon – zoals in hun dorpen… ze kookten op houtvuurtjes, aten uit een gemeenschappelijke schotel met de hand, deden hun behoeftes in een nabij gelegen bos of rivier… later in door de hulporganisaties aangelegde latrines, leefden op het ritme van de opkomende en ondergaande zon. En nu, staan ze in een hypermodern vliegtuig, dat 300 passagiers in één keer kan vervoeren, moeten ze in zetels gaan zitten ipv op de grond, heeft ieder een individueel videoscherm in de rugleuning van de zetel die voor hen staat, krijgen ze een afstandsbediening in de handen gestopt, waar ze zich bij afvragen waar het in hemelsnaam voor moet dienen. Ik herinner me dat die videoschermpjes het al vlug begaven bij de Somalische hummeltjes die voor en naast me zaten. Ik probeer me er iets bij voor te stellen… alsof je door een teletijdsmachine enkele honderden jaren verder in de tijd wordt geschoten. Bij die jongens was het niet anders. Hoe kan het ook anders… je wordt op zo ’n korte tijd van de ene cultuur in de andere gekatapulteerd… en je krijgt nauwelijks de tijd om je aan te passen. Ik zie het nu in een documentaire op Canal+, wanneer drie van die ‘Lost Boys’ erover vertellen. Je ziet ze worstelen met een blokje – in cellofaan verpakt – kaas… waarvan ze denken dat het ‘zeep’ is, maar dat de andere passagiers opeten. Je ziet ze een klein pakje boter openen om het in één hap op te eten, denkend dat het ook ‘kaas’ is, maar dan anders verpakt. Ze krijgen ‘plastic’ bestek, waarbij ze zich afvragen waar het voor dient.
We lachten ons kapot, toen Immaculée – onze huishoudster in Rwanda – vertelde over haar eerste vlucht. Ze was al wel wat gewend, doordat ze al enkele jaren voor de Zwitsers had gewerkt die haar nu uitnodigden. Maar een ‘lopend’ tapijt of een roltrap was wel het laatste waar ze aan dacht toen ze in Kloten, de internationale luchthaven van Zurich landde. Ze zouden toch voor begeleiding mogen zorgen voor mensen die het voor het eerst meemaken. Immaculée kwam er zonder kleerscheuren door. Onze Soedanezen ook, maar je ziet ze wel raar opkijken wanneer ze hun voet voor het eerst op de roltrap zetten. Ik herinner me Grâce haar eerste keer in België… hoe ze die eerste dag in het shoppingcenter van Wijnegem de ‘roltrap’ leerde kennen met Douwe en Mathilde. Kijk mama, papa… ik ga naar boven of beneden, zonder te moeten stappen. Of omgekeerd op de dalende roltrap naar boven proberen te lopen.
In de VS krijgen de ‘jongens’ in de verschillende gaststeden, voor drie maanden, een appartement toegewezen. De eerste drie maanden leven ze op kosten van de staat, daarna moeten ze voor zichzelf instaan. De Amerikaanse begeleider probeert hen wegwijs te maken. Showt hen de koelkast en de diepvrieskast… hij haalt een groot pak aardappelchips uit een kast. Dit zijn aardappelen… neen ze zijn al klaargemaakt, je hoeft ze niet meer te koken. Eén van de jongens haalt een fles Pepsi uit de koelkast en zegt dat die in Soedan Coca Cola heten… weten zij veel dat er zoveel frisdranken op de markt zijn. Volgt een demonstratie van hoe de elektrische verlichting werkt… of het toilet (dat kennen ze al van op het vliegtuig)… of de ‘wekker’, belangrijk, want ‘time is money’ in de US of A. Het is moeilijk om je voor te stellen wat ‘verwondering’ betekent, maar je leest het van hun gezichten. Je leest ook het ongemak bij zoveel ‘nieuwe’ indrukken, ‘nieuwe ‘voorwerpen’, ‘andere’ manieren van omgaan met elkaar. Wij zijn het zo gewend, we groeien er mee op, dat we er nauwelijks nog bij stil staan, maar voor hen is het werkelijk steeds weer de ‘eerste’ keer. Ze lopen samen naar de ‘supermarket’, waar de ‘magere’ Soedanezen schril afsteken tegen de rondbuikige ‘Super-size-me’ Amerikanen op de achtergrond. Die laatsten voelen zich ook niet erg op hun gemak met de vreemde snuiters die alles vastpakken en betasten. Ze lijken voor hen echt van een andere planeet te komen. Je vraagt je af of ze er enig idee van hebben waar die jongens vandaan komen.En of ze dat wel willen weten. Zouden ze zich anders gedragen indien ze wisten wat die jongens doorstaan hadden. De jongens vinden het ‘raar’ dat ze niet zomaar bij de ‘buren’ kunnen binnenlopen… zonder dat er meteen de politie wordt bijgehaald. In Soedan zouden ze je welkom heten en geïnteresseerd vragen wie je bent, wie je vader is, hoe het met je gaat, waar je vandaan komt, waar ze je mee kunnen helpen… hier worden ze als indringer beschouwd.
28 maart 2008
Hoogtijd om er nog eens op terug te komen. Meer dan het zoveelste techniekje om de participatie op te drijven, maar een filosofie die de werkelijkheid op een andere manier benadert.
Wat is AI?
Appreciative Inquiry (waarderend en begrijpend onderzoeken) is tegelijkertijd een theorie, een filosofie, en een trainingsmethode en heeft als uitgangspunt dat alles waarvan je wilt dat er meer van is, al bestaat; in iedere organisatie. AI is een positieve manier van denken, onderzoeken en benaderen om tot krachtige en zinvolle veranderingen in organisaties te komen. Een AI-proces is een bottum-up proces waarbij de hele organisatie wordt betrokken. Appreciative Inquiry stelt mensen binnen een organisatie in staat om gezamenlijk hun sterke punten, wensen en dromen te ontdekken en verder te onderzoeken. Tijdens het proces komen de essentiële drijfveren van de organisatie bovendrijven waarop ze trots kunnen en moeten zijn. Deze vormen vervolgens de basis voor meer vertrouwen, tevredenheid en effectiviteit als organisatie.
Wat is er nieuw aan (en waarom zou iedere organisatie het moeten inzetten)?
Traditionele verbeteringsprocessen en trainingen zijn probleemoplossend opgezet. Ze zoeken naar de problemen in een organisatie, analyseren deze en pakken ze aan. Appreciative Inquiry werkt precies andersom en zoekt juist naar alles wat goed gaat. Dit vormt de basis om dat vaker en meer te doen. De probleemgerichte benadering heeft als nadeel dat de problemen worden uitvergroot door er op te concentreren, terwijl Appreciative Inquiry het beste van een organisatie naar boven brengt omdat dat de focus is. Een Appreciative Inquiry aanpak genereert altijd een enorme dosis (positieve) energie bij de deelnemers en dus binnen de organisatie. Deze energie wordt vervolgens aangewend om de veranderingen te implementeren. Behalve effectief is het ook ontzettend leuk.
Heeft AI een wetenschappelijke basis?
Appreciative Inquiry is diep geworteld in de gangbare gedragswetenschappelijke theoriën die betrekking hebben op de invloed van positieve beelden en ervaringen op het gedrag van mensen. In de sportwereld wordt dit bijvoorbeeld ook veelvuldig toegepast. David Cooperrider, Suresh Srivastva en anderen ontwikkelden de theorie van Appreciative Inquiry voor de Case Western Reserve University in Cleveland Ohio in de jaren zeventig en tachtig.
Is al dat positieve gedoe niet te zweverig ?
Nee, in tegendeel het is de eerste methode die veranderingsprocessen van begin tot en met het einde begeleidt. Appreciative Inquiry zorgt er niet voor dat iemand zichzelf iets gaat wijsmaken. De onderwerpen worden alleen benaderd vanuit een positieve, reële kant. Er wordt een beeld geschetst van de organisatie zoals die op haar best is, gebaseerd op verhalen van alle betrokkenen. Dit beeld is de basis om op verder te bouwen en ervoor te zorgen dat de organisatie in de toekomst nog vaker op haar best is.
Hoe kan iedereen naar de positieve kant kijken als er alleen maar negatieve kanten zijn?
Door te concentreren op de positieve ervaringen is er vaak al minder noodzaak om negatieve gevoelens te uiten. Negatieve uitingen vinden wel plaats, maar er wordt niet op verdergegaan. Uiteindelijk zal iedereen iets positiefs weten te vinden om over te praten. Overigens is het in sommige situaties noodzakelijk om eerst ruimte te geven aan alle negatieve emoties. Is de lucht geklaard dan kan men verder.
Hoe kun je de problemen oplossen als je het alleen maar over de positieve dingen hebt?
AI bespreekt de problemen weliswaar niet, maar negeert ze ook niet. Appreciative Inquiry kijkt naar hoe het goed is geweest en hoe het opnieuw of vaker zo kan zijn. Problemen komen op deze manier zeker aan bod. Ze worden alleen anders benaderd.
Tijd om nog eens iets van ons te laten horen.
De tweede helft van februari was Grâce voor 14 dagen in Mbalmayo... een verlengde 'franse' krokusvakantie. En... ze kreeg er nog wat dagen bovenop, want eind februari - na een staking van de taxichauffeurs - lag het hele land lam. De taxichauffeurs eisten - terecht - een aanpassing van hun tarieven. Aanleiding was de verhoging van de benzineprijzen (waar niet?) en de daaraan gekoppelde verhoging van de levensduurte. Het ongenoegen zat hem dus niet alleen bij de taxi's, maar zoals uit de 'rellen' bleek, bij een ruimer deel van de bevolking. Een in de haast genomen beslissing van de regering om de benzineprijzen terug een beetje omlaag te brengen hielp uiteindelijk niet. De eerste rellen braken uit in Douala (aan de kust) en voornamelijk in het engelstalige deel van Kameroen, maar al spoedig breidden de onlusten zich uit over het hele land (lees ook Yaoundé)... behalve Mbalmayo. L'histoire se répète... net een jaar geleden zaten we midden in een stakingsgolf in Guinee-Conakry, waar toen op zijn minst 200 doden vielen. Gelukkig keerde de rust na een week terug en kon het leven weer zijn gewone gang gaan.
Maar het ongenoegen blijft. Niet alleen om de levensduurte, maar ook - en daar zit in het westen van Kameroen het grote ongenoegen - om de plannen van de meerderheid om de president nog een volgende ambtstermijn te gunnen. Daartoe moeten ze wel de grondwet herzien, maar met een absolute meerderheid in het parlement kan dat niet al te moeilijk zijn. De president had langs zijn neus weg gesuggereerd dat - als men het hem vraagt - hij nog wel zeven jaar langer wil aanblijven. Een goede verstaander (lees partijlid) heeft niet meer nodig.
Word vervolgd!
6 december 2007
Niemand houdt zich aan de afgesproken regels wanneer er over de uitbating van het woud wordt gepraat. De bevoegde ambtenaar vertikt het om vanachter zijn bureau te komen om een toegewezen concessie te inspecteren… en gelooft de houtvester op zijn woord, wanneer die zegt hoeveel en welke bomen hij omhakte. Een andere ambtenaar van bosbouw en bosbeheer knijpt een oogje toe – voor een briefje van 1000 cfa – wanneer hij iemand betrapt met een stekelvarken over de schouder, of een bosantilope. Paul wordt er mismoedig van… wat kan hij – kleine man – beginnen tegen de ‘grote jongens’?
Onlangs krijg hij e
We hebben zowat een uurtje in Paul Atangana’s openluchtateliertje gezeten. Hij kan in – vlekkeloos Frans – uren vertellen… over zijn werk… het kappen van het materiaal… het maken van een stoel, maar ook filosoferen over het ‘leven’… hoe het verder moet met het woud, met de wereld. Hij klaagt ook wel dat hij niet genoeg verdient, maar slaagt er wel in om twee van zijn zoons naar de universiteit in Yaoundé te sturen… en of we geen voorschotje kunnen geven op de stoelen die hij voor ons aan het afwerken is, want straks staan zijn twee zoons – waar hij terecht trots op is – op de stoep… en zonder ‘iets’ kan hij ze toch niet terugsturen. Paul Atangana denkt aan de toekomst, investeert in zijn kinderen… maar denkt ook aan zijn kleinkinderen, die hier ook nog moeten kunnen leven. Of om het te zeggen met een oude indianenwijsheid: “Je erft de aarde van je kleinkinderen!’
30 november 2007
22 november 2007
Messam
We moesten er wel een eindje voor rijden, maar het was de moeite waard. Even een bezoekje brengen aan een van de verwezenlijkingen van het programma. Dan denk je… een kwartiertje rijden of zoiets, maar het ging dus een eind verder. Zowat zestig kilometer ver. Gelukkig woont Mama Suzanne aan de kant van de weg, dus moesten we – voorlopig – niet door de modder ploeteren.
Mama Suzanne weet waarover ze het heeft. Duurzame landbouw… toegepast. Ik was verrast door de ‘pépinière’… waar ze naast enkele ‘zeldzame’ inheemse boomsoorten… ook ‘karité’ in zakjes hebben staan. In Guinee zeiden ze dat zoiets onmogelijk is en later op het internet wordt dat ook bevestigd… dat het heel moeilijk is, maar het is dus niet omdat het moeilijk is, dat het onmogelijk is. Ik zie het levend bewijs voor me. Op de vraag waarom ze zoiets doet, want de planten – bomen – geven pas over ongeveer dertig tot veertig jaar pas vruchten… antwoord ze dat de komende generaties toch ook moeten leven. Het ebbenhout en de andere ‘zeldzame’ houtsoorten doen er nog langer over en de bomen die ze nu omhakken – voor de export – deden er zowat 200 jaar over om die omvang te bereiken. Rhoddy vroeg of ze ‘verbeterde’ maniok of bananen plantte op haar perceel. Wat is verbeterd? Wat bedoel je daarmee? Natuurlijk selecteer ik de ‘goede’ van de ‘slechte’ zaden, planten… ik weet wat ik doe. Kijk… en ze tekent met een machete in het zand, hoe ze haar perceel heeft ingedeeld en welke voorzieningen ze trof om allerlei ziektes tegen te gaan. Autochtone remedies om ziektes bij de planten tegen te gaan. Mama Suzanne beschikt over een uitgebreide kennis van de planten om haar heen, de planten in het regenwoud. Ze worden ook gebruikt als ‘geneesmiddel’… ze heeft niet zo’n hoge pet op met de ‘westerse’ geneeskunde. Kijk… die boom is goed tegen malaria… en die voor dit, en die voor dat. Midden tussen haar perceeltjes staat een varkensstal die voor mest zorgt en niet stinkt. Blijkbaar krijgen die varkens een uitgemeten dieet. We lopen door de veldjes, waar aardnoten groeien tussen de bananenplanten… alles netjes onderhouden… omgeven door ‘levende’ hagen. Toegepaste ‘duurzame’ landbouw. Hoeveel Cradif daar voor iets tussenzit is nog de vraag. In ieder geval is de ‘bodem’ waarop Cradif zijn praktische vormingen ‘ent’ vruchtbaar. Spijtig genoeg is er geen tijd om verder op het terrein te gaan en de velden te bezoeken waar Mama Suzanne en haar groep groenten en andere gewassen verbouwen… in associatie met inheemse boomsoorten.
Kortom… een perfect voorbeeld van geïntegreerde ‘duurzame’ landbouw.
Ngat
Op zo’n 17 km voor Mbalmayo gaan we van het asfalt en nemen de piste die naar Ngat leidt. Het wordt een moeizame rit van 5 km. De auto van Lou valt tot driemaal toe in panne. De weg is modderig en we slippen van links naar rechts. Op een kilometer van Ngat – we verliezen teveel tijd – beslissen we om te voet verder te gaan. Gelukkig regent het niet. Ngat stond op het programma – wellicht omdat de ‘Maire’ van Mbalmayo hier vandaan komt – om een boomgaard te bezoeken. Die boomgaard ligt een eindje de ‘brousse’ in en het is duidelijk te zien dat het pad ernaartoe pas gisteren is ‘vrijgemaakt’. De boeren verontschuldigen zich dat er zo weinig ‘leden’ zijn, want het is cacaoseizoen en iedereen is het woud ingetrokken om de cacaopeulen te verzamelen. De boomgaard is moeilijk te onderscheiden door het hoge gras en het overwoekerende onkruid. Neen, we doen niet aan agroforesterie, wij beslisten om fruitbomen te planten. Je merkt dat ze meer op het ‘onmiddellijke’ profijt uit zijn, dan de vorige groep. Spijtig, want als een ‘actieve’ groep in het dorp het voortouw niet neemt om ‘bedreigde’ boomsoorten voor de komende generaties te behoeden… wie zal het dan wel doen? Voor mij is het althans duidelijk dat de doelstellingen van deze groep totaal verschillen van de vorige groep. Misschien gebruiken ze wel ‘duurzame’ technieken en dat is uiteraard een ‘eerste’ stap, maar ze zijn nog lang niet waar die andere groep staat qua duurzaamheid op ‘lange’ termijn.
Steunen kan:
Via http://www.broederlijkdelen.be/ of http://www.ikwilhelpen.be/iwh/org.php?oid=25
21 november 2007
We zouden zoals afgesproken om 13u30 stipt vertrekken, maar dat was zonder de gebruikelijke ‘voorbereidingen’ gerekend. Agnès was om te beginnen niet op het rendez-vous en Michel moest uiteraard nog gaan tanken. We wachten dan maar voor de teleboetiek – een initiatief dat ondersteund wordt door Elisabeth – waar sinds die ochtend een oude vrouw zich voor de ingang een plaatsje koos en daar nu niet meer weg wil. Die oude vrouw zou al een week op het busstation rondhangen… verstoten door haar familie… met heel haar hebben en houden in een grote boodschappentas. Je ruikt dat ze zich al een tijdje niet meer gewassen heeft. Elisabeth gaat in de lokale taal tegen haar tekeer… met pijn in het hart, zoals ze achteraf zegt… en dreigt de politie erbij te halen. Die is blijkbaar niet geïnteresseerd in het oplossen van de situatie – het politiekantoor bevindt zich vlak naast de teleboetiek. Toch maakt Elisabeth indruk, want na enkele minuten begint het vrouwtje al haar ‘rommel’ bijeen te scharrelen en maakt alsnog aanstalten om zich ergens anders te gaan ‘nestelen’. Agnes heeft inmiddels van zich laten horen… ze staat voor het kantoor – volgens haar was ze op tijd. Niet dus. We geven haar een ‘nieuwe’ rendez-vousplaats en vinden haar enkele minuten later aan de kant van de weg. Met zo’n dertig minuten vertraging gaan we op weg naar Akok, een plaatsje net voorbij Ngomenzap, een plaats ten westen van Mbalmayo. De piste ligt er hobbelig bij, maar wanneer je er tegen 60 km per uur over rijdt, valt het best mee. Uiteraard moet je dan wel in het juiste spoor kunnen blijven… en dat kan niet wanneer er tegenliggers zijn. We schieten aardig op… tot – we zijn een uurtje onderweg – de motor plots stilvalt. Michel weet wat er mis is en kan de motor terug gestart krijgen. Dan begint Elisabeth – voor de zoveelste keer – te klagen dat de auto pas in de garage is geweest… dat dit niet kan… dat er geen goede mecano’s zijn in Mbalmayo… en patati en patata. Enkele kilometers verder begeeft de motor het opnieuw. Michel stapt weer uit, zwaait de motorkap open… en krijgt er weer leven in. We maken er grapjes over… hoe goed hij wel is… hoe hij als ‘volleerde’ mecanicien de auto herstelt. We maken ons ook vrolijk over de ‘zwarte kunsten’ van Agnes, die beweert dat ze de regen kan doen ophouden… of omgekeerd. De slechte weg doet Elisabeth terugdenken aan haar verleden als ‘animatrice rurale’. Hoe ze een keer met een stel Canadezen op stap was ‘en brousse’ en ze tegen het ‘einde’ van haar ‘eerste’ zwangerschap aanzat. Ze voelde vanalles bewegen en had hevige pijnscheuten… die haar er uiteindelijk toe brachten toch maar naar haar gynaecoloog te stappen in Yaoundé. Daar beviel ze ‘twee’ maanden later van een zoon, nadat ze op aanraden van een mama - die reeds 14 kinderen ter wereld bracht – een lavement plaatste. Een gebruik dat van generatie op generatie wordt overgebracht van moeder op dochter, en waar wij ‘blanken’ volgens Agnès (hoe ze het woord bijna uitspuwt) geen weet van hebben. Geboortegewicht van die ‘voldragen’ vrucht… 2,2 kilo. Even natellen… en we komen op een zwangerschap van 11 maanden. Dat gebeurt wel meer beweert Agnès… wat weten wij ‘blanken’ daar nu over. Waar hebben we dat nog gehoord… van die ezelsdrachten en eeneiige tweelingen die met vier maanden tussentijd geboren werden? Rwanda? Juist! We lachen wat af, daar in de auto. De motor begeeft het voor de derde, vierde, vijfde, zesde maal. Telkens weer ruimt Michel het euvel uit de weg en hobbelen we weer enkele kilometers verder. De zevende keer hebben we prijs. Michel stapt uit en… moe van steeds weer dezelfde handelingen te moeten uitvoeren, roept hij de hulp in van enkele jongeren die er toevallig rondhangen. In Kameroen – en bij uitbreiding in heel Afrika (naar onze ervaring) – is in ieder dorp, ieder zichzelf respecterende man een ‘uitstekende’ auto-mecanieker. Gevolg… ze beginnen allemaal – om beurten – aan de motor te prutsen… zodat hij ‘niet’ meer start. Een uur later heeft al die lokale kennis van ontploffingsmotoren ons nog geen millimeter verder geholpen. Een van de jongens beweert ‘apprenti’ te zijn, ‘leerling’… maar dat is inderdaad wat het zegt… leerling en niets meer. De verlossing komt plots aangereden op een Yamaha 125cc. De bestuurder van de motorfiets herkent Elisabeth - en zei hem – en houdt halt. Hij is een echte mecanicien en heeft in een wip de klus geklaard. Problemen met de ‘verdeler’… ‘delco’ voor de ingewijden. Die is versleten en loopt keer op keer warm. Maar voorlopig is de panne herstelt en kunnen we onze weg verder zetten. We hadden voorzien om tegen 16 uur bij de boeren aan te komen, maar dat wordt 18 uur… dus het begint al aardig donker te worden.
We doen ons ding bij de boeren, waar we voor gekomen waren… een korte consultatieronde, en vatten de terugweg aan.
In Ngomenzap valt de motor weer stil. Gelukkig kunnen we rekenen op de ‘goede’ mecanicien, die een lift vroeg en kreeg naar Mbalmayo. De motor zal al bij al nog een tiental keren stilvallen. Telkens weer wordt het euvel verholpen… door water op de ‘verdeler’ te gieten om hem af te koelen. Wanneer het water op is, stoppen we voor een huisje waar een petroleumlamp brandt. Agnès loopt er met veel kabaal naartoe… de mensen – in lokale taal – geruststellend, dat we geen boeven zijn, maar enkel water zoeken. Even later komt ze terug met twee flessen en een kleine jerrycan vol met fris bronwater. Net voorbij de Nyong staat er een lichte truck aan de kant van de weg geparkeerd. De bestuurder roept dat de weg verderop geblokkeerd is. We rijden door en zien in de verte inderdaad lichten van vrachtwagens. Die wilden mekaar kruisen op deze smalle weg, maar kwamen tegelijkertijd aan een houten brug, waar maar plaats is voor één vrachtwagen. Door de lengte van hun vrachtwagen is het heel moeilijk – zeker in het pikkedonker – om te manoeuvreren. We kunnen er gelukkig ‘net’ langs en raken veilig over de houten brug. Om 22u30 kwamen we toe in Mbalmayo.
Wil jij ook een steentje bijdragen aan de ontwikkeling van het Zuiden, dan kan dat via onderstaande link van Broederlijk Delen.
http://www.broederlijkdelen.be/
of
http://www.ikwilhelpen.be/iwh/org.php?oid=25

